Rancière: de ‘onwetende’ meester

‘De leraar onderwijst de leerlingen niet zijn kennis, maar beveelt hen het woud van dingen en tekens te verkennen, te vertellen wat ze gezien hebben en wat ze ervan denken’.

Dit citaat bevat in een notedop de kern van het denken van Jacques Rancière over educatie: de leraar daagt uit of nodigt uit; de leerling gaat ermee aan de slag op zijn of haar manier. De uitkomst van dit proces is onvoorspelbaar. Rancière is een hedendaags Franse filosoof die reflecteert over uiteenlopende praktijken zoals politiek, kunst en educatie. Zijn boek ‘De onwetende meester’ is zijn belangrijkste werk over de praktijk van onderwijs en vorming. We kunnen hem situeren in de lijn van onderwijsvernieuwers zoals John Dewey, Ivan Illich en Paulo Freire. Toch neemt hij een eigen positie in. Hij heeft het erg moeilijk met praktijken in het onderwijs van de ‘meester-uitleggers’ die weten wat de leerlingen moeten weten en hoe deze kennis en vaardigheden moeten verwerven. Daarmee plaatst de meester-uitlegger zich in een superieure positie en vernedert hij de leerlingen of studenten.

Wat is het alternatief? Rancière stelt voor om niet te vertrekken van de tekorten, maar van de nieuwsgierigheid, de exploratiedrang en het experimenteergedrag van de lerende. Neem zijn spontane intelligentie als uitgangspunt. Vertrek van de vaststelling dat ieder mens, groot of klein, rijk of arm, geleerd of niet over de capaciteit en ook de drang beschikt om de wereld te verkennen, zoals een kind dat spontaan doet. Het kind verwerft een plaats onder de mensen door te observeren, door het ene ding met het andere te vergelijken, een teken met een feit, een teken met een ander teken. Ook de volwassene blijft leren door te associëren, te vergelijken, te testen, te verifiëren. Zo overbrugt de lerende zelf een afstand. Niet de afstand tussen de meester en de leerling, maar de afstand tussen wat hij al wel en wat hij nog niet weet.

En zo kom ik bij de kern van wat Jacques Rancière betoogt. Hij stelt voor om te vertrekken van wat de ‘meester’ de moeite vindt om te tonen of om mee te delen. Vanuit zijn vakmanschap probeert hij aan te spreken, te raken of te beroeren. Daarbij beschouwt hij het publiek als geëmancipeerd, ervan uitgaande dat de individuen in dat publiek zelf hun eigen verhaal zullen construeren, op basis van wat gepresenteerd wordt. En dat eigen verhaal is niet voorspelbaar voor de meester. Hij is op dat vlak ‘onwetend’. Zoals de schrijver van een boek niet kan voorspellen hoe de lezer zal reageren op zijn verhaal, zo is de leraar een ‘onwetende meester’. De leerling of de student leert iets wat de meester zelf niet weet. De leerling of de student leert niet door de kennis van de meester over te nemen, maar door de wil van de meester die de lerende beroert, verrast en fascineert, en door de wil van de lerende die met het gepresenteerde aan de slag gaat en er een creatief antwoord op geeft. Dat wat voorligt, is eigendom van de meester, noch van de leerling. Dat wat voorligt, ligt tussen hen beiden in. En het krijgt betekenis, doordat ieder er op zijn eigen manier betekenis aan geeft.

Danny Wildemeersch is emeritus hoogleraar sociale pedagogiek van de KU Leuven en was hoogleraar andragogiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij is verbonden aan het Laboratorium voor Educatie en Samenleving en doet onderzoek naar uiteenlopende praktijken van vorming in relatie tot maatschappelijke uitdagingen. Zijn recentste publicatie in het Nederlands is: ‘Grensverleggers: over kwesties die ons verdelen’, uitgegeven bij Garant, Antwerpen-Apeldoorn.

Rancière, J. (2004). The Politics of Aesthetics. The distribution of the sensible. London: Continuum.
Rancière, J. (2005). Hatred of Democracy. London: Verso
Rancière, J. (2007). De onwetende meester. Vijf lessen over intellectuele emancipatie. Leuven: Acco
Rancière, J. (2009) The emancipated spectator. London: Verso.
Rancière, J. (2010). Dissensus: on politics and aesthetics. London: Continuum.